Het is de lijn die de tekening maakt

Dat de tekeningen van Robbie Cornelissen (1954) op drie plaatsen in Nederland min of meer tegelijkertijd te zien zijn, is geen toeval. Hij trekt steeds meer aandacht als een tekenaar pur sang die de mogelijkheden van het medium zoekt en de grenzen verlegt. Hij tekent op papier van ongewoon groot formaat, hij schept met de potloodlijn als uitgangspunt een hallucinerende wereld waar de kijker ingezogen wordt en hij maakt van het tekenen een performance.

Hij maakt terecht deel uit van de selectie van 100 tekenaars in het Schiedams Museum. Verder toont hij in de projectzaal van het Gemeentemuseum in Den Haag onder de titel Het Grote Geheugen een samenballing van zijn tekeningen uit de afgelopen 10 jaar en in het Centraal Museum in Utrecht stelt hij de daad van het tekenen zelf aan de orde, de handeling die aan de voorstelling voorafgaat. Je zou dat de conceptuele kracht van de tekening kunnen noemen.

Wat Cornelissen in Utrecht met potlood gaat doen, zou je als een performance kunnen zien die het tekenen laat zien als een fysieke actie in ruimte en tijd. Op een vlak papier van 17 meter lang en 4 meter 20 hoog gaat hij samen met 10 van zijn studenten een tekening maken tijdens de openingsuren van het museum. Zes dagen per week en zeven uur per dag. In het begin is er de leegte, het papier. Dan komt de eerste lijn die met een potlood wordt getrokken over de volle lengte van 17 meter, ononderbroken uiteraard. Dat betekent een doorlopende beweging van de tekenaar, met een natuurlijk wisselende druk op het potlood. Wat een lijn oplevert die nooit helemaal recht is en met een verschillende dikte van grafiet. Die eerste lijn wordt gevolgd door een volgende, en zo verder, vijf weken lang, tot het vlak volledig gevuld is, op een rand van 20 cm aan de onderkant na. Dit is letterlijk een “work in progress” waar de bezoekers direct getuige van zijn, gezeten op een tribune.

Dit is wat tekenen is, het trekken van een lijn die een oppervlak doorsnijdt. Die eerste lijn heeft al betekenis. Het is de meest rudimentaire afdruk van wat in het hoofd van de kunstenaar zit, met het simpelste instrument zichtbaar gemaakt: het potlood, anatomisch een natuurlijke bondgenoot van de vinger. Dat eerste potloodspoor op het witte papier verdrijft de leegte door twee ongelijke vlakken te scheppen. Zo begint de tekening, en zeker die van Robbie Cornelissen.

Waar dat in extremis op uit kan lopen laat hij ook in Utrecht zien. Daar staat een kubus waarvan elke zijde 2 meter 70 meet. De vlakken zijn helemaal vol getekend met potlood, het wit van het papier is nagenoeg verdwenen onder het grafiet, zacht en spiegelend, een eigen wereld, aards en kosmisch tegelijk. Door de bewegingen van de tekenende hand en door de elkaar kruisende lijnen zijn vlakken ontstaan die licht vangen. Vlakken in antraciet dat van intensiteit verandert, naargelang de positie van de kijker. Wat begon als een lijn is getransformeerd in een beweeglijk zwart vlak en heeft massa en volume gekregen. De tekening is sculptuur geworden. Dit is een black box, waar ook nog geluiden uit komen, filosofische en soms absurde fragmenten uit interviews met wetenschappers. Dit beeld stuurt aan op reflectie. Drawing, another way of learning, in de woorden van Cornelissen.

In Den Haag toont hij grote tekeningen die een imaginaire wereld verbeelden. Een wereld die zo groot is dat je vanaf de museumvloer er zo in kunt lopen. Lijn voor lijn heeft hij gebouwd aan een duizelingwekkende ruimte die nog het meest lijkt op een gigantische bibliotheek of op een plein in Rome waar alle rechte straten als radialen op uitkomen. Een wereld opgebouwd uit duizenden lijnen die rasters vormen als bouwstenen voor een labyrintische wereld die hij Het Grote Geheugen noemt. Het zijn drie reusachtige tekeningen van 2 meter 40 bij 4 meter 40, lijn voor lijn getekend, op dat formaat een fysiek ingrijpend en tijdvretend proces. De tekeningen construeren een ruimte met verschillende perspectieven die geschapen en bijeen gehouden wordt door dat ene potlood. Een tekening van Robbie Cornelissen heeft de begoocheling van Alice in Wonderland. Je wordt als kijker verleid die getekende wereld binnen te treden, en voor je het weet zit je midden in het web. Je vind jezelf terug in een andere wereld, in ruimtes die dood lijken te lopen. Maar altijd is er wel weer een zijweg in dat labyrint. Elke ruimte is buiten het bereik van ons oog verbonden met een andere ruimte, en zo ontstaat een hallucinerende ervaring teweeg gebracht door lijnen en rasters. En op onverwachte plaatsen zijn de kleinmenselijke details als een fontein, een afvoerputje of een wand die buikvormig uitstulpt. Die dingen scheppen de balans tussen de abstracte ruimte en de menselijke beleving. Een noodzakelijk evenwicht tussen constructie en herkenning, op basis van een lijn. Dat is tekenen.

Gepubliceerd in Museumtijdschrift, nr. 3, april 2011




Terug naar overzicht