Het landschap een raadsel

In 1818 schilderde Caspar David Friedrich zijn wandelaar die uitziet over een zee van mist. Het meest bijzondere aan dit schilderij: de wandelaar staat met zijn rug naar de kijker die zich als vanzelfsprekend identificeert met de wandelaar en met diens ogen de verte in kijkt. In het atelier van Frans Lampe denk ik aan dit schilderij. De fotomontages die hij maakt laten landschappen zien die ik herken en die ik toch nooit eerder zo gezien heb. Ook nooit eerder had kunnen zien omdat het point of view een positie veronderstelt die ik niet kan innemen. Het is alsof ik naar een stukje wereld kijk waar ik zelf in sta, zo vertrouwd voelen zijn landschappen aan. Ik ruik het gras, ik hoor de lucht, ik voel me omringd door een eigen wereld waar ik letterlijk gezien niet in sta. Ik voel me de wandelaar van Friedrich.

Caspar David Friedrich (1774-1840) bracht in het landschap een beslissende verandering aan. Het landschap, een oud en formeel genre, gebruikte hij als voertuig van de individuele, subjectieve beleving. Het ging een interactie aan met de kijker. Daarmee zette hij een flinke stap in de ontwikkeling van de moderne kunst. Friedrich gaf het landschap een ziel die zich voor de kijker ontvouwt. De kijker identificeert zich ermee en dat heeft veel te maken met de bijzondere positie waarin Friedrich hem brengt. Via zijn hoofdpersoon voert hij mij zijn landschap binnen. Van buitenstaander word ik deelgenoot van een wereld waar ik tegelijkertijd naar sta te kijken. Die subjectivering markeerde het begin van de romantiek en is nog steeds aan de orde in de kunst van nu. In het werk van Frans Lampe bij voorbeeld. Op zijn eigen specifieke manier stelt hij de positie van de kijker aan de orde. Ook hij dwingt mij als kijker me bewust te worden van m’n positie en dus van mijn onzichtbare aanwezigheid in zijn landschappen. Die landschappelijke montages gaan over kijken, naar de wereld onder mijn voeten, naar de wereld boven me, naar mezelf. Kijken als een vorm van dromen, kijken als een aanleiding tot beschouwen.

Terug naar de wandelaar van Friedrich. Ik had trouwens ook zijn Monnik aan zee (1810) kunnen nemen, of om het even welk doek waarin de hoofdpersoon mij met zijn ogen laat kijken naar een nooit eerder zo waargenomen wereld. Kenmerkend voor die toen revolutionaire schilderijen is dat er op de voorgrond een mens, altijd een man, staat met zijn rug naar de kijker. Ik zie hem, hij ziet mij niet. Daarmee is hij object in de geschilderde wereld waar ik naar kijk. Tegelijk is hij ook subject omdat hij mij door zijn houding verleidt, eigenlijk dwingt, te kijken met zijn ogen. Hij is mijn ogen, hij kijkt namens mij in een wereld waarin ik zelf niet kan zijn.

De landschappen die Frans Lampe construeert zijn landschappen die alleen maar in dromen kunnen bestaan. Want hoe bedrieglijk echt een fotomontage van hem in details ook kan lijken, de ontelbare flinters werkelijkheid waaruit zijn wereld is opgebouwd heeft hij gemonteerd tot iets onbestaanbaars. Wat hij maakt kan wel gedroomd maar nooit letterlijk zo gezien worden. Dat is fysiek onmogelijk.

De manier waarop hij naar het landschap kijkt, gaat aan de grenzen van fysica en logica voorbij. Hij kan nog kijken met de ogen van het kind, wijd open en vol verbeelding. En zo is het ook begonnen. Als kind raakte Frans Lampe gefascineerd door het bouwen van modelvliegtuigjes. Hij wilde op zijn eigen manier zijn eigen antwoord vinden op een vraag die alleen het kind zo zuiver, zonder enige bijbedoeling kan stellen: hoe ziet mijn wereld er eigenlijk uit? Om het preciezer te zeggen, hij wilde weten hoe de wereld eruit ziet waar hij zelf deel van uitmaakt. Hij wilde kijken en tegelijk bekeken worden. Daartoe droomde hij zich een alter ego in de vorm van een piloot die hem, het dromende kind, zou zien staan op de aarde. Hij fantaseerde nog een stapje verder en plakte de kop van een speelgoedindiaan die hij voor dat hoge doel onthoofd had, in de cockpit. Die indiaan nam zijn ogen mee naar boven zodat hij de wereld kon zien zoals het kind in werkelijkheid die wereld niet kon zien. Wat hij zich als kind nog niet kon realiseren is dat hij zichzelf tegelijk tot subject en object maakte. In zijn kinderlijke verbeelding, deed hij toen iets wat hij nu in zijn atelier dagelijks doet. Mij mee nemen naar zijn wereld, eigenlijk om mezelf te zien, indirect, maar toch.

Om te begrijpen hoe dat kan uitpakken is het wellicht goed een andere vergelijking te trekken. Wat hij met zijn computer maakt, doet denken aan wat gebeurt in Erik of het klein insectenboek, een klassieker van Godfried Bomans. Erik, het kind dat de hoofdpersoon is in het boek, verbeeldt zich bij het leren van zijn huiswerk biologie dat hij in de wereld leeft van de insecten waarvan hij alle droge feiten uit zijn hoofd moet leren. Hij stapt figuurlijk in de wereld van het leerboek dat ineens tot ander leven komt. De werkelijkheid van het blokkende kind schakelt over naar de verbeelde wereld van de insecten. Met de verhouding tussen subject en object gebeurt iets wat we ook bij Friedrich tegenkomen. De dieren, papieren objecten, komen tot leven en worden subject. En Eric wordt de hoofdpersoon in zijn eigen verhaal, net als bij de wandelaar uit het schilderij van Friedrich. Voor ons is hij in eerste instantie object, in die zin dat hij deel is van de wereld in woorden die wij lezen. Maar vervolgens kruipen we in zijn huid, kijken met zijn ogen en zien een wereld die bedrieglijk lijkt op de wereld die we denken te kennen, onze wereld dus.

Dat is de wereld die Frans Lampe zoekt en onderzoekt, elke dag weer. Hij verkent die in verschillende tempi en vanuit verschillende posities. Vanaf het zadel van zijn racefiets, dagelijks lopend in de velden rondom zijn woonplaats en, in het laagste tempo maar met de grootste aandacht voor het detail, met de camera in de hand. Drie verschillende manieren van waarnemen, van snel en veraf naar traag en heel dichtbij, ongeveer zoals de fotograaf vanuit het grote landschap inzoomt op het gras. Zo registreert hij de zichtbare wereld onder onze voeten in duizenden detailopnames, tot op het niveau van de grasspriet.

Dit is een vorm van toe-eigenen. Kijken, verkennen, erin doordringen en vastleggen. In het atelier volgt de transformatie waar het allemaal om te doen is. Daar, voor het toetsenbord dat zijn palet geworden is, worden al die gefotografeerde details geconstrueerd tot een nieuw beeld. Al die elementjes worden samengevoegd tot een nieuw landschap, zoals de kunstenaar wil dat het eruit ziet. Alsof het bestaande opnieuw wordt geschapen.

Opmerkelijk is de perspectivische correctie die hij toepast. Naar de randen van zijn geconstrueerde landschap toe worden de detailfoto’s steeds verder opgeblazen. In plaats van kleiner zoals het ons vertrouwde geometrische perspectief wil, worden zijn beelden steeds groter naarmate ze verder weg zijn van het point of view. Je zou kunnen zeggen dat hij het perspectief omkeert. Daardoor ziet zijn landschap eruit zoals een kind zijn wereld tekent. Alles gewoon in het platte vlak, met geringe perspectivische verkleining. De dingen zijn zoals ze zijn, het huis, de bomen, de mensen, alles even groot, vast en herkenbaar van vorm, niet helemaal optisch gecorrigeerd door ons volwassen besef van de afstand tussen de dingen. Een besef dat in onze beleving de dingen verderaf kleiner maakt. Dat besef is vitaal omdat het onze visuele wereld bijeen houdt in een afgesproken orde. Als de kunstenaar dat perspectief manipuleert, dreig ik me buitengesloten te voelen. Die wereld bevreemdt me omdat hij zo afwijkt van wat ik ken. Wat ik bij hem zie aan bomen, weiland, paden, wolken bestaat, stevig en wel, in de geslotenheid van het beeld. Zorgvuldig opgebouwd, foto na foto, detail na detail, tot een autonome wereld waarin alles denkbaar is. En dan gebeurt het bijzondere. Het ogenschijnlijk vreemde, andere landschap sluit mij niet buiten, het neemt me daarentegen op. Ik word naar binnen getrokken, het landschap sluit zich om me heen. Ik word deel van zijn wereld waar ik naar sta te kijken.

Een landschap van Frans Lampe heeft iets magisch, het is een raadsel waarin hij wil doordringen. Hij wil weten wat er aanwezig is in de grond waarop hij loopt, hij wil voelen wat er trilt in de lucht die het landschap omsluit, hij wil de plek beleven en, met een groter woord, de ziel ervan raken. De ziel die zich in het schijnbaar toevallige kan tonen. In het skelet van een buizerd bij voorbeeld dat hij vindt in een weiland en dat de geest van die plek oplaadt met het gevoel van de dood. Wat begint met een verkenning aan de buitenkant eindigt in het blootleggen van een binnenwereld, de ziel van het landschap, over de grenzen van de fysica heen.

Het gemonteerde landschap als poging om grip te krijgen op het irrationele en onzichtbare. Het landschap als verbeelding van onze intuïtie, als constructie van een droom. Uiteindelijk blijft het landschap een raadsel.

Frits de Coninck, kunstcriticus

Breda, 16 oktober 2011




Terug naar overzicht